Thijs Zonneveld

Toon alleen recensies op Leestafel van Thijs Zonneveld in de categorie:
Thijs Zonneveld op internet:
 

Wilco Kelderman bestaat niet Wilco Kelderman bestaat niet
en andere wielerverhalen


Wie het afgelopen wielerseizoen nog eens rustig voor zijn geestesoog wil laten passeren kan zich de afgelopen jaren verlaten op de boekjes van Thijs Zonneveld. Zonneveld is columnist voor NU.nl en het Algemeen Dagblad en zijn gebundelde columns en verhalen geven een mooie kijk op wat er dit seizoen voor de wielerliefhebber te genieten of te ergeren viel.

Als voormalig wielrenner kent hij de mores van de sport als geen ander en hij kijkt dan ook met een oog voor detail mee over de schouders van de renners en de koers.
Dat levert vermakelijke verhalen op over de sokkenfetisj die veel renners hebben, het petje met de klep omhoog van Niki Terpstra en het haar van de sprinter Marcel Kittel, maar ook meer verstilde verhalen zoals die over de wielrenner Bart Oegema die een einde aan zijn leven maakte en de vraag waarom zelfdoding relatief vaak voor komt bij wielrenners.
Terugkerend thema in dit boek zijn vooral zijn tirades tegen de vele valpartijen die de koersen dit jaar kenden en die inderdaad nauwelijks om aan te zien waren;

“Ik weet het, vallen hoort erbij. Maar dit sloeg nergens meer op. Gent-Wevegem was geen wielerkoers. Het was een slachtpartij. Net als de E3 Prijs van afgelopen vrijdag trouwens. Ik heb naar jullie gekeken met tranen in mijn ogen. Bij elke valpartij dacht ik dat jullie niet meer op zouden staan. Afgelopen vrijdag lag er een jongen met zijn gezicht op het asfalt. Hij bewoog niet. Ik werd misselijk. Ik dacht aan zijn moeder. Aan zijn vader. Aan zijn vriendin. Hij stond weer op, maar de misselijkheid verdween niet.”


Zonneveld richt zich vooral tegen de wielerbond UCI, die wel plannen maakt voor de toekomst van het wielrennen, maar de veiligheid van de koersen staat verbazend genoeg niet op de agenda, laat staan dat ze de inbreng en meningen over dit onderwerp van de renners meewegen.
In een vervolgcolumn schrijft Zonneveld zelf een tienpuntenplan om de veiligheid voor de renners te verbeteren o.a. door kleinere pelotons, overleg met de renners over het parcours, het invoeren van een safety car die de koers stil kan leggen bij ernstige valpartijen, strenger straffen van toeschouwers die op de weg renners in de weg lopen etc.

Een ander terugkomend thema is de druk die wij, lang niet met koersoverwinningen beloonde Nederlanders, op ieder nieuw wielertalent leggen. Heb je een paar aardige etappes in de benen dan wordt je meteen gekroond tot toekomstig tourwinnaar.
De titel van dit boekje Wilco Kelderman bestaat niet is hiervan een afgeleide. Kelderman is een buitengewoon talent, maar door zijn naam niet hardop uit te spreken hoopt Zonneveld de druk zo laag mogelijk te houden, wat tot de komische scene leidt dat hij voor de televisie een volgens hem dus niet bestaande wielrenner zit aan te moedigen, tot verbijstering van zijn vriendin.
Wilco Kelderman zelf bleek overigens verbazingwekkend goed met die druk om te kunnen gaan, dus wellicht was zijn voorzorg overbodig.

Het is wederom een aangenaam lezend, amuserend en informatief boekje geworden. Ideaal voor de schoen of kerstsok van menig wielerfan.


ISBN 9789046817728 | Paperback | 190 pagina's | Nieuw Amsterdam | november 2014

© Willeke, 19 november 2014


Lees de reacties op het forum en/of reageer:

 

De rode vod De rode vod
en andere wielerverhalen


Het is zo zachtjes aan een must voor wielerliefhebbers, aan het einde van het seizoen bundelt Thijs Zonneveld zijn columns en zie je al lezend het hele wielerseizoen weer aan je geestesoog voorbij trekken.

Het was wederom een veelbewogen jaar met veel dopingonthullingen. Meteen al in de eerste column zitten we midden in de voorbeschouwingen van Lance Armstrongs ontboezemingen bij Oprah. Bekent hij zijn dopingzonden, of toch niet?
Vilein fileert Zonneveld de Texaan; hij die zeven Tours lang bedroog en regisseerde zal ook deze uitzending bedriegen en regisseren;

“Wij zijn gek aan het worden. We laten ons piepelen door een vent die doping zag als business, die jonge renners dwong om hetzelfde te doen als hij, die mensen kapot maakte omdat ze de waarheid spraken en die miljoenen verdient door zijn naam te verbinden met een dodelijke ziekte. DJ Lance draait de muziek, en wij dansen erop. Keer op keer.”


De UCI, die een jaar na al deze onthullingen niets ondernomen heeft, krijgt er ook flink van langs. Er zou een waarheids- en verzoeningscommissie komen die de doping zou onderzoeken. Er zou een onafhankelijk onderzoek komen naar de rol van de UCI in de Armstrong-affaire, er zouden nieuwe ideeën worden bedacht om de sport schoner en geloofwaardiger te maken. Er gebeurde niets.
De Rabobank wordt ook ter verantwoording geroepen. De bank verdiende jarenlang miljoenen aan het wielrennen, maar speelde bij de dopingonthullingen ineens de vermoorde onschuld en presenteerde zich als slachtoffer van misleiding en bedrog. Ze waren als sponsor onderdeel van het systeem dat de sport corrumpeerde. Maar op het moment dat de deksel van de dopingbeerput werd gelicht, trok de bank de stekker uit de ploeg; de jonge generatie kreeg de rekening gepresenteerd voor het foute verleden van anderen.

Veel meer mededogen heeft Zonneveld met individuele renners die uit zichzelf doping bekende, zoals Danny Nelissen. Deze kreeg enorm veel kritiek te verduren, tot en met het toewensen van ziektes aan toe. Volgens Zonneveld is dat echter een heel ander verhaal dan bij Armstrong.

“Nelissen nam verantwoordelijkheid voor zijn eigen daden. En vooral; hij probeert een nieuwe generatie wielrenners te helpen die het volgens hem niet verdienen om tot in lengte van dagen te worden achtervolgd door de schaduw van een rot verleden. Danny Nelissen is geen Lance Armstrong. De enige overeenkomst is dat ze dopinggebruik opbiechtten voor een tv-camera- veel verder gaat de vergelijking niet. Nelissen heeft geen andere mensen onder druk gezet, hij heeft geen doping verstrekt, hij heeft geen mensen kapot gemaakt omdat ze de waarheid spraken. Er ligt geen rapport van duizend pagina’s dat hem dwingt om te bekennen. Hij is geen multimiljonair geworden dankzij dopinggebruik en hij heeft er geen Tours mee gewonnen. Hij is een gewone renner die dezelfde keuzes heeft gemaakt als talloze andere renners. Daar kun je van vinden wat je wilt, maar volgens mij hoeft dat niet gepaard te gaan met het toewensen van ziektes.”


Naast de verhalen over dopingzondaars gaat het boek gelukkig ook gewoon over wielrennen, over koersen door de modder, over de kontenknijper Peter Sagan, over het opkomend talent van Wilco Kelderman, over wie we alleen maar fluisterend mogen praten om geen onheil over onszelf af te roepen, over de onvergetelijke waaieretappe van de afgelopen tour, over de tijdbom die Cavendish heet, de Slijmbaard van Laurens ten Dam, en de luciferhoutjesbenen van Chris Froome.

Erg vermakelijk, maar pure ernst, is de column over de numerologie in het wielrennen.
Dat renners liever niet met nummer 13 op hun rug rond willen rijden, snap ik met enig inlevingsvermogen nog wel. Maar ook nummer 17 is blijkbaar uit den boze. Rugnummer 1 is wel goed en alles waar je 1 mee kunt maken na aftrekken (87 is 8 -7 = 1) ook. Je mag zelfs worteltrekken in deze ( 92 is wortel 9 – 2 = 1). Als er maar 1 uitkomt, dan zit je gebakken.

Als vrouwelijke wielerliefhebber wil ik uiteraard nog wel enige kanttekeningen plaatsen bij de column Niet voor vrouwen, waarin de teloorgang van het fietsen als mannenbolwerk beschreven wordt.

“Ooit was het wielrennen van ons. Het was onze terp, onze schuilkelder, onze veilige haven. Wat er ook gebeurde; we konden altijd vluchten door een rondje te gaan trappen. We konden zondagmiddagen slenteren over meubelboulevards ontlopen door te zeggen dat er een Heel Belangrijke Koers op tv was. We konden op eindeloze avonden bij onze schoonouders wegdromen door te denken aan die nieuwe carbonwielen, of aan die ene keer dat we onze trainingsmaten versloegen bij dat ene sprintje bij het plaatsnaambordje Dingeshuizen. Maar dat is allemaal verleden tijd. Vluchten kan niet meer. Vrouwen zitten ook op de fiets, ze weten wanneer Milaan-San Remo is, en ze verslaan ons bij het plaatsnaambordje Dingeshuizen.”


Zonneveld pleit voor het geheimhouden van de enkele koers waar nog geen vrouw van gehoord heeft, maar misschien maakt hij na volgende aanbeveling een uitzondering voor uw vrouwelijke recensente.
Wielerliefhebbers, man of vrouw… lezen dit boekje!


ISBN 9789046815847 | Paperback | 176 pagina's | Nieuw Amsterdam | november 2013

© Willeke, 19 maart 2014


Lees de reacties op het forum en/of reageer:

 

Paniagua Paniagua
en andere sportverhalen


Thijs Zonneveld is sportjournalist bij NRC, oud profwielrenner, en columnist bij nu.nl.  Dit boek is een verzameling columns en verhalen over grote en kleine sportgebeurtenissen in het overvloedige sportjaar 2012. Het jaar waarin behalve de gebruikelijke grote sportevenementen ook nog eens het EK voetbal, de Olympische Spelen en een reeks dopingonthullingen in de wielerwereld plaatsvonden.

Het boek begint met het titelverhaal Paniagua, wat mij betreft meteen een van de sleutelverhalen van het boek. Zonneveld beschrijft hoe hij in zijn tijd als profwielrenner de berg Xorret de Cati op probeert te tijden. Hij knarst, hij kraakt, hij sleurt, hij hijgt, hij smijt zichzelf in iedere pedaalslag, maar wat hij ook probeert, het heeft geen zin, hij komt geen meter dichter bij het ontsnapte peloton. Tot een van renners van het peloton voor hem stopt voor een sanitaire stop, op zijn gemak plaspauze houdt, de groep nog net niet fluitend in haalt en op zijn gemak vrolijk weer terug fietst naar de voorste groep, Zonneveld verbijstert achter latend. Er komt een Spaanse renner naast hem rijden die zegt:

“Die rijden op kerosine. Wij doen het paniagua. Paniagua, pan y agua, brood en water. Geen dope, geen goede spullen, geen Edgar, geen wespen, geen negers, geen Belgische potjes, geen bruine bollen, maar water en brood.”


Zonneveld realiseert zich dat dat precies is wat er aan de hand is, één deel van het peloton rijdt op doping, en een ander deel, de ploeterende groep waarin hij zich bevind, doet dat duidelijk niet.

“Ik voelde me net een figurant in een film. Anderen schreven de scenario’s, regisseerden en acteerden, mijn enige taak was rondfietsen en me af laten slachten. Zo moeten talloze wielrenners zich de afgelopen decennia gevoeld hebben. Tegenwoordig een stuk minder dan vijf, tien of vijftien jaar geleden, maar sinds de ontdekking van het wondermiddel epo hebben er honderden, zo niet duizenden renners zich als figurant in een film gevoeld. Sommige wielrenners keken zo hard als ze konden de andere kant op en hoopten op betere tijden, anderen bezweken onder de druk en grepen naar de spuit.”


Zonneveld beschrijft hoe de spuit soms letterlijk binnen handbereik lag, maar hij bezweek niet. Liever een houtje touwtje wielrenner dan aan de Epo. Het wat mij betreft mooiste verhaal van het boek gaat over Lance Armstrong, de recentelijk van zijn voetstuk gevallen wielerheld. Deze laat een heel peloton renners, waaronder Zonneveld, wachten in de regen om voor een miljoen dollar het startschot te komen geven. Als Zonneveld vraagt of hij misschien zo vriendelijk wil zijn om dat startschot  daadwerkelijk te geven, omdat het peloton staat  te verkleumen, kan hij een ‘fuck you’ naar zijn hoofd krijgen. Uit respect zegt hij niets terug. Inmiddels is er van het respect voor de man die in zijn ogen de wielersport kapot heeft gemaakt weinig meer over. De titel van dit verhaal  zegt voldoende;’ fuck you too, Lance’. Deze aan doping gerelateerde hoofdstukken vind ik toch de sterkste van het boek, omdat ze vol woede zitten, om een sport die kapot gemaakt is en mensen uitsloot die niet in die waanzin mee wilden gaan. Het boek kan bijna niet actueler zijn wat dat betreft, zo midden in alle dopingonthullingen. Mooi detail is dat Zonneveld daar als journalist van het NRC een behoorlijke rol bij speelt.

Ik doe het boek te kort als ik alleen deze hoofdstukken noem. Het boek staat vol verhalen over bekende en minder bekende sporters. Verhalen over Durk Fabriek, de onbekende schaatser die een grote wedstrijd won door tweehonderd kilometer lang in zijn eentje op kop te harken, over de wielrenner Sep Vanmarcke, de Sepmans, die één keer in zijn leven, bijna tot zijn eigen verbazing,  het lef had om tegen zijn ploegleider in te durven  gaan en de mooiste koers van zijn leven wint, over de Poolse voetballer Wlodzimierz Smolarek, kortweg Woldi, over wie Zonneveld een brief naar Geert Wilders stuurt, over een huilende Bert van Marwijk, over de zwemmer Nick Driebergen die eigenlijk voetballer wilde worden, maar een grasallergie had, en natuurlijk over Epke Zonderland die bijna achteloos een filmpje op het internet zet waarin hij zijn oefening van de afgelopen Olympische Spelen nog eens dunnetjes over doet, met nóg een vluchtelement er bij. Dat behalve grootheden als Epke Zonderland óók sporters als de voorgenoemde Durk en met hem vele anderen, die net als Epke óók jaar in jaar uit ploeteren, maar die iets minder vaak voor de microfoons van Studio Sport te vinden zijn, hun plaats in dit boek hebben gekregen, geeft dit boek extra charme.

Een heerlijk boek voor de sportliefhebber!


ISBN 9789046814758 | Paperback | 190 pagina's | Nieuw Amsterdam | maart 2013

© Willeke, 12 maart 2013


Lees de reacties op het forum en/of reageer:

 

De ereronde van de eland De ereronde van de eland


De wielersport duikt steeds vaker op in de literatuur en ook in dit debuut is de Tour de France de achtergrond. Maar veel meer dan een sport- cq fietsroman is dit een psychologisch portret van een fanatiek sporter. Althans van iemand die niets beter weet te doen dan fanatiek wielrenner te zijn. Terwijl hij voorop fietst in een Touretappe, verwacht hij niet anders dan dat hij ingehaald zal worden. Maar de voorsprong neemt toe. Hij, een mislukkeling, een etappe winnen??

Ik hoor hier niet in mijn eentje voorop te rijden, als een eenzame avonturier. Mijn demarrage was puur voor de vorm.’


‘Een kans om te winnen heb ik niet. Het is nog veel te ver naar de finish.’


Het worden zes minuten, tien minuten… de afgelegde afstand groeit, de finish komt dichterbij, al gebeurt dat minder snel dan hij gedacht had. Terwijl zijn lichaam stappen dichter bij de uitputting komt, gaat zijn geest denken dat hij het misschien toch kan. Hij wordt euforisch: hij gaat winnen. Hij maakt een kans! Maar dan slaat het om, zijn benen draaien maar hij voelt het niet meer. Het zuur slaat toe.

Thijs Zonneveld is zelf fietser, en dat merk je. Die ommezwaai, de strijd die een fietser moet voeren, het is fantastisch beschreven. We zitten als lezer in het hoofd van de renner, hij trapt de pedalen rond en verbindt daar zijn mijmeringen, zijn herinneringen aan. Wij maken zijn opwinding mee, zijn vreugde als dat ene liedje, waarop hij zo lekker kan fietsen, blijft hangen in zijn hoofd. Maar ook de ommezwaai, en het verval komen aan bod, we voelen het in de manier van schrijven, die langzaam verandert van volzinnen tot gestamel.
Alles komt voorbij: zijn jeugd, de relatie met zijn vader, zijn vriendin, zijn ploegmaten, en natuurlijk ook die ploegleider, de man die blijft schreeuwen dat hij moet ‘draaien’, de man die hem water geeft terwijl hij alles behalve water wil hebben, de man die hem een pindareep geeft, terwijl hij toch moet weten dat zo’n reep hem tegenstaat. Hij kende zijn plaats - er is maar één renner in de ploeg die nog lager in rang is, van Steensel , Flip voor vrienden. ‘ik ken niemand die hem zo noemt’, - maar nu hij zo goed fietst, verwacht hij toch meer aandacht van zijn ploegleider. Ook zijn er de overdenkingen over doping, over de sport an sich, over het typische wielrenuiterlijk (half wit, half bruin)

De etappes worden is stukken beschreven, waarbij er ook steeds iemand van buitenaf commentaar geeft. Ziet deze derde een meisje in bikini langs de weg liggen, dan komt even later de reactie van de fietser op dat meisje. De stukken vullen elkaar perfect aan. Zonneveld heeft een goed gevoel voor spanning, het boek leest als een thriller, je wil dat de man het redt, maar…

Ik was aanvankelijk sceptisch, wéér een wielerboek, maar het is veel meer dan dat. Thijs Zonneveld heeft mij overtuigd. Hier wordt een man beschreven, een mens vol tegenstrijdigheden, een gewoon mens dus. Hij fietst, maar had ook iets anders kunnen doen. Een prachtige psychologische roman. Het is de manier van schrijven die het doet, de afwisseling tussen de ik- persoon en de derde persoon, het aanpassen van de taal op de toestand van de renner, het werkt! Mag op de longlist van de Academia DebutantenPrijs!

'Wielrenners zijn de grootste leugenaars onder de sporters´


ISBN 9789020409116 | Paperback | 158 pagina's | L.J. Veen | juni 2009

© Marjo, 29 september 2009


Lees de reacties op het forum en/of reageer: