Caspar Visser 't Hooft

Toon alleen recensies op Leestafel van Caspar Visser 't Hooft in de categorie:
Caspar Visser 't Hooft op internet:
 

Frankrijk in 50 fragmenten Frankrijk in 50 fragmenten


Dit boek is totaal anders dan ik tot nu toe gelezen heb van Caspar Visser ’t Hooft.
In plaats van een sfeervolle roman, die de wereld beschouwt in een enigszins gedragen stijl, lezen we nu kleine stukjes tekst over zeer diverse onderwerpen. Fragmenten, inderdaad.

Nelleke Noordervliet raadt het aan in haar voorwoord: ga naar Frankrijk zonder vooroordelen, ga met de Fransman om zonder verwachtingen. Dan pas zul je Frankrijk en de Fransen kunnen leren kennen zoals ze zijn. Want, zoals ook in een van de fragmenten wordt verteld: de Fransen arrogant? Dat is een vooroordeel dat snel ontzenuwd moet worden! In enkele stukjes die je in dit boek tegenkomt, lees je hoe natuurlijk ook de Fransman zijn vooroordelen heeft ten aanzien van Nederlanders. Zoals iedere thuislander de buitenlander bekijkt. Het is een menselijk trekje. Maar Caspar Visser ’t Hooft woont al ruim 25 jaar in Frankrijk, waar hij meerdere malen is verhuisd. Enthousiast vertellen over zijn tweede thuisland mag hij dus zeker.

En zo lezen we stukjes over zijn ervaringen, over dingetjes die hij meemaakt, waarbij de Franse literatuur aan bod komt, de geschiedenis van het land en natuurlijk de Franse gewoonten, die toch wel anders kunnen zijn dan de onze. Ook de Franse keuken komt aan bod.
Sommige dingen kunnen de lezer misschien bekend voorkomen, maar er waren toch wel wat dingen die ik zelf niet wist. Dat de boeken van Philippe Claudel wel degelijk de moeite waard zijn om te lezen, ja, dat had ik de heer Visser wel kunnen vertellen. Maar de feiten over Le Cimade en de film ‘La colline aux mille enfants’ en dat Sarah Bernhardt van Nederlandse komaf is, daar had ik geen idee van.

Het bijna laatste stukje vind ik het mooiste. Hier vind je de sfeer van het Franse land terug, waar de toerist even niet zijn stempel drukt op de omgeving.

‘Ze zijn allemaal naar het spektakel gegaan, beneden, op de grote parking. Op die plek hebben ze een halfronde tribune neergezet. Voor de toeschouwers. Het toneel staat opgesteld onder de oude stadsmuur. (-) Ik kijk naar de zwaluwen die er doorheen scheren, krijsend, en ik zeg: ‘Gaan jullie maar. Ik heb zin om gewoon wat door het stadje te lopen.’’


En dat doet hij, hij loopt door het stadje met zijn dagelijkse geluiden, en kijkt naar de kenmerkende elementen. Kijken, luisteren, de wereld om je heen gewaar worden, zonder gestoord te worden – nauwelijks tenminste – door menselijke aanwezigheid.

‘Wat ik zie, wat ik hoor? De zwaluwen natuurlijk. Die hadden mij op mijn kleine wandeling overal begeleid. Zelfs in die smalle steeg naar boven. Wanneer ik opkeek, zag ik ze tussen de overhangende gevels, in de spleet blauw, in een flits langs schieten. Fluit-krijsend. Steeds hoger en hoger, waar de lucht nog in de zon ligt. Maar – wat is dat? Wat daar in de duisterschemer onder een paar cipressen beweegt? Een grillige kriskrasbeweging. Een vleermuis? Af en toe bereiken flarden van applaus mijn oor, of een blikken stem uit een luidspreker.’


Mooi, net als veel andere stukjes, Iedere lezer zal zijn eigen voorkeur hebben, er is een grote diversiteit.
Frankrijk op zijn ‘Franst’.


ISBN 9789461851932 | Paperback | 215 pagina's | Uitgeverij Grenzenloos | februari 2017

© Marjo, 01 januari 2018


Lees de reacties op het forum en/of reageer:

 

Brandende kolen Brandende kolen


Op aandringen van zijn zus begint Dagobert het verhaal op te schrijven dat zich vijfentwintig jaar eerder heeft afgespeeld, en waarin de achtergrond uit de doeken wordt gedaan van de man die aangeduid wordt als Beaugeste. Hij is een moderne Robin Hood. Met zijn ludieke acties wil hij de aandacht vestigen op de hypocrisie van de huidige maatschappij en de mensen aan de kaak stellen die onder het mom van ‘de wereld verbeteren’ zelf hun zakken vullen. Arme mensen geven geld om de puissant rijken te kijk te zetten.

Ooit begon het als een wraakactie ten aanzien van een sekteleider: tijdens zijn speech die zoals altijd eindigde met een oproep geld te geven werd hij bedolven onder bergen chocolademunten. ‘Burning coals, BC’ noemt Beaugeste zijn organisatie, naar analogie van wat in de Bijbel staat:

‘dat wanneer iemand een mantel van je afpakt, je hem ook je onderkleed moet geven, en dat wanneer iemand je dwingt om honderd meter af te leggen, je tweehonderd meter met hem moet meelopen. Op die manier stapel je brandende kolen op zijn hoofd, dat wil zeggen: je maakt hem ten schande.’


Maar eerst en vooral gaat de vijfentwintigjarige Dagobert op avontuur, op zoek naar zichzelf. Naar een nieuwe naam, want de naam die hij bij zijn geboorte kreeg, de naam van zijn grootvader, bevalt hem niet. Als hij een Vlaamse legende leest over een naamloze vondeling die op reis gaat om zijn naam te vinden, besluit Dagobert ook zoiets te doen. Al is de herfst al begonnen, hij pakt zijn motor en vertrekt. Om mooie en magische avonturen te beleven, interessante mensen te leren kennen en misschien, en passant, zichzelf te vinden.

Zoals Le Grand Meaulnes dat enkele eeuwen geleden deed, beleeft Dagobert – als Robert - een avontuur dat magisch aandoet: mensen uitgedost als ridders op paarden kruisen zijn pad. Na dit avontuur in de Ardennen vervolgt hij zijn tocht naar Duitsland, om druiven te plukken aan de Moezel – als Richard. Vandaar verwijst men hem naar een dorp in de Elzas, en logeert hij bij een textielfabrikant, waar hij - als Daniel - helpt een verbouwing in diens huis te voltooien. Het echte avontuur daar is evenwel de confrontatie met een man die wat betreft zijn valse bedoelingen precies past in het plaatje van BC: een man die zich verrijkt ten koste van anderen. ‘Rijkdom waaraan meer dan een vlekje zit’.

Op dat moment kent Dagobert Beaugeste en zijn acties nog niet. Pas als hij verblijft bij Béatrice en de man die een van zijn beste vrienden zal worden, Jean-Luc, maakt Dagobert kennis met de man over wie hij nu geregeld in het nieuws leest. Zoals wij dan weer lezen in het persoonlijke kanttekeningen.

Caspar Visser ’t Hooft laat zijn protagonist een bijzonder boek schrijven. Robert vertelt het verhaal over zijn avonturen in de derde persoon en houdt een persoonlijk logboek bij over zijn leven in het heden, daarmee de lezer een unieke kans gevend:

‘Laat de lezer deelnemen aan het creatieve proces, een boek is een interactief gebeuren.’


Deze afwisseling tussen een avonturenverhaal en persoonlijke notities werkt zeer sterk. ‘het eerste niveau is dat van een simpel verhaal, het tweede dat van de beschouwingen waar mijn herinnering aanleiding toe geven.’ Vooral in het logboek worden allerlei steken onder water uitgedeeld: naar de moderne literatuur, naar de grote graaiers, naar het moderne Europa.

Caspar Visser ‘t Hooft (1960, Straatsburg) beschouwt zichzelf als én Nederlander én Fransman. En inderdaad: je merkt het aan de soms plechtstatige taal - hoewel in Brandende Kolen minder dan in de eerdere romans - en aan de sfeer van de vaak beschouwende maar zeker niet saaie scenes. Zijn boeken zijn geen openlijke protesten, maar het is duidelijk welk soort mens voor hem centraal staat: een sociale, weldenkende figuur, niet alleen begaan met zijn medemens, maar ook met de natuur. Vriendschap en samenwerking, verdraagzaamheid en openheid, buiten je comfortzone treden om het ware leven te ontdekken, het zijn thema’s die we in al zijn boeken terugvinden.
Brandende Kolen biedt avontuur en stof tot nadenken. En nodigt uit tot meerdere malen lezen.


ISBN 9789086841417 | Paperback | 191 pagina's | Uitgeverij IJzer | april 2017

© Marjo, 17 juni 2017


 

Waldenberg Waldenberg


Caspar Visser 't Hooft

Als Menno, de verteller van het verhaal, zich op een bepaald moment de vraag stelt waarom hij zich eigenlijk zo druk maakt om Waldenberg, die niet eens ooit een vriend in de ware betekenis van het woord was, dan wacht de lezer gespannen op het antwoord.

Menno bevindt zich op een keerpunt in zijn leven. Zijn kinderen worden zelfstandig en hij vraagt zich af of zijn huwelijk nog wel de moeite waard is. Op zijn werk heeft hij het wel gezien. Het leven van jagen en jachten is hij beu en voor het geld hoeft hij het niet te laten: hij heeft zijn baas vaarwel gezegd en is een eigen kantoortje begonnen voor rechtsbijstand, speciaal voor musea. Het leven wordt rustiger, en hij krijgt de tijd om eens terug te denken aan vroeger. Aan Syl en Waldenberg, twee mensen die hij nooit vergeten is. Sylvia was ooit zijn vriendinnetje, ach, ze waren nog maar net tieners, en Menno besefte pas toen het te laat was, dat het meer had kunnen zijn. Ze ontmoetten elkaar bijna jaarlijks in Grindelried, het dorp in de Zwitserse bergen waar hun families de vakanties doorbrachten. Dat Waldenberg hier ook geweest moet zijn, dringt pas later tot hem door, als de verhalen van hun verleden duidelijk worden. Menno zal Waldenberg nog een keer ontmoeten in Leiden, waar ze allebei studeren, en later in Doesbergen, waar ‘gestoomd’ wordt voor tentamens. Ook Syl is daar, en enigszins met spijt hoort hij dat zij en Waldenberg een stel zijn.

Het leven is zoals het is: ‘het beloofde land ligt niet achter je, maar voor je...’


Dat Syl ooit een vage belofte was die hij zelf nooit ingewisseld heeft, dat weet hij, maar Waldenberg, waarom kon hij deze jongen die hij immers nauwelijks kende niet vergeten? Hij wil het weten! Wat was de betekenis van hun aanwezigheid, hun verschijnen in zijn leven? Waarom heeft hij er behoefte aan hen terug te zien?
Menno volgt de sporen terug in de tijd, en ontdekt dat het leven van Waldenberg niet voorspoedig is verlopen. Wat is er in zijn leven voorgevallen?
De terugblik van dit verhaal is gesitueerd in begin jaren tachtig. De hippiejaren zijn voorbij, vrijgevochtenheid moet plaats maken voor verstandig leven. Een tijd waarin men moest vechten voor zijn plekje in de maatschappij.

Nu Menno een nieuw pad is ingeslagen, hoopt hij begrip te krijgen over het verleden. Voorbij is voorbij, maar er is altijd een nieuwe toekomst. Een belofte zoals ook bergen een belofte inhouden. De bergen, de Zwitserse Alpen, zijn een toonbeeld van eeuwigheid, met steeds nieuwe toppen en een belofte van iets, wat dan ook, dat zich daar achter bevindt. Maar het zou ook kunnen zijn dat hetgeen achter de volgende top ligt, niet overeen komt met je verwachtingen.
Hoe zal dat voor Menno verlopen?

Caspar ’t Hooft schrijft boeken met een filosofische inslag zonder er meteen een zware thematiek van te maken. Het is aan de lezer:  als je er geen zin in hebt dan neem je de overdenkingen voor wat ze zijn, en lees je alleen het verhaal over Menno en zijn zoektocht naar het verleden. Maar natuurlijk kan je ook meegaan in de gedachtegang.  Wordt ons leven bepaald door wat er in het verleden gebeurd is? Hebben we altijd de vrije keuze om een andere weg in te slaan dan die gewezen lijkt? Wanneer dan ook?
Menno, Syl en Waldenberg hebben ieder hun eigen keuzes gemaakt. Had het anders gekund?
Wat ook in Vissers eerdere boeken het geval was: de natuur speelt een grote rol. In een naturalistische stijl ontvouwen zich de Alpen, en de karakters van de personages.

Een roman om nog eens op je gemak te herlezen en rustig te laten bezinken. Om opnieuw te genieten van het uitzicht, dat dan misschien wel anders is.


ISBN 9789086841097 | Paperback | 190 pagina's | Uitgeverij IJzer | oktober 2014

© Marjo, 16 november 2014


Lees de reacties op het forum en/of reageer:

 

Ontwaken Ontwaken


Caspar Visser 't Hooft

Dit boek bevat vier verhalen waarvan het eerste ‘het ontwaken’  de toon zet.

‘Zo’n typisch onaanzienlijk, ja, zelfs lelijk huis, gebouwd tussen 1900 en 1920, zoals je die veel hebt in de banlieues van kleinere Franse stadjes. Tamelijk groot (in Frankrijk zijn alle huizen groter dan in Nederland –meer ruimte!), met muren waarvan de buitenzijde uit expres-ruwe grauwe stenen bestaat, en met name ramen die door de smalle zijden van ingemestelde bakstenen worden omlijst. Hij verbeeldde zich dat voor, boven de voordeur, op een rijtje groengeglazuurde tegels, de naam van het huis stond aangegeven: Villa Mon Repos, of Villa Iris of Les Mimosas. Een grote serre kwam achter uit op de tuin, Een gezellige, een beetje rommelige tuin, met grindpaadjes, een perk vol rode en gele tulpen, een groen grasveld achter, een moestuin, verderop de bollende nevels van bloeiende vruchtenbomen, mimosa, tamarisken... wat voor mensen? De gepensioneerde chef van een plaatselijk postkantoor? Een gewezen hogere spoorwegbeambte? Een ex-legerofficier? Gelukkige mensen die er een vriendelijk, rustig bestaan op na houden. Mensen die van lekker eten houden. Zo veel mogelijk uit eigen tuin. Zo rustig als die oudere meneer in zijn groene jekker die daar hele ochtenden in zijn moestuin kon rondscharrelen. Spitten, grond omwoelen, zaaien...’


Je waant je meteen daar, in dat ‘lelijke’ huis.  En je begrijpt hoe het kan dat de hoofdpersoon van het verhaal ervaart wat het verhaal gaat vertellen.
Geluk bij een ongeluk, het is een uitdrukking, die Gerard van de Wall Haneman zal leren waarderen. Hij wordt wakker en weet niet waar hij is. Natuurlijk ontdekt hij dat al snel. Hij bevindt zich in een herstellingsoord, nadat hij een ongeluk heeft gehad met de auto. Hij was onderweg naar zijn huis in Frankrijk. Nu is hij gedwongen rust te nemen, terwijl hij het zo druk had met de verbouwing van het huis. Het duurt niet lang om tot het besef te komen dat zijn leven niet is wat hij eigenlijk wil.
Wie is die protserige vent die alles doet om in de smaak te vallen bij die omhooggevallen lui, die denken dat ze alles zijn? Wilde hij daar echt bij horen? En waarom heeft hij zijn vriend toen verraden; alleen om er zelf beter van te worden? Wat heeft dat leven hem opgeleverd?
Ja, dat ongeluk is een geluk. Tijd om het roer om te gooien. Al is het de vraag of dat kan.

In het tweede verhaal ‘sneeuw voor de zon’ is het Tina die terugkijkt op haar leven. Zij bevindt zich bij een seminar dat haar teruggebracht heeft naar een plek waar ze een deel van haar jeugd doorgebracht heeft. Een idyllische plek waar haar kinderjaren tot een einde kwamen door toedoen van een ander meisje. Tina kwam tot het besef dat zij geacht werd zich anders te gedragen dan ze deed. Jongens zijn niet hetzelfde als meisjes. Tina trok zich het liefst niets van anderen aan, en nu nog niet. Maar ze beseft wel dat het haar tot een buitenbeentje maakt. Ze hoort er niet bij. Ook op dat seminar: ze hoort er nog steeds niet bij. Maar dat meisje van vroeger is nu haar schoonzus en zal zodoende in de afwezigheid van Tina voor haar moeder zorgen. Is de boosheid die ze altijd voelde ten opzichte van haar schoonzus wel terecht? Was het wel door diens toedoen dat de gebeurtenissen in het verleden zo verliepen? 


Dan volgen nog een tweetal korte verhalen, die eenzelfde thematiek hebben: vroeger is voorbij.
Hoe mooi, hoe gezellig, hoe idyllisch het ook was, het is niet handig om je te laten leiden door het verleden: je leeft nu!  
Zoals we van Caspar Visser ’t Hooft gewend zijn, ademen deze verhalen een Franse sfeer. Zijn beschrijvingen van de achtergrond zijn impressionistisch en naturalistisch, zijn stijl is omfloerst, de karakters worden tot in de finesses ontleed.


ISBN 9789086840465 | Paperback | 143 pagina's | Uitgeverij IJzer | november 2009

© Marjo, 21 oktober 2013


Lees de reacties op het forum en/of reageer:

 

De ring van de keizerin De ring van de keizerin


Caspar Visser 't Hooft

‘Wat is de werkelijkheid? Is de werkelijkheid altijd de werkelijkheid-zoals-wij-die-zien? En de manier waarop wij de dingen zien, die wordt nu juist bepaald – deels bepaald, door de schilders. Zij oriënteren, scherpen, verrijken onze blik. En in die zin màken zij de werkelijkheid – omdat de werkelijkheid altijd de werkelijkheid is zoals-wij-die-zien.’



Hoe komt het dat Marnix, de hoofdpersoon, na een openhartoperatie steeds terugdenkt aan de periode in zijn jeugd dat hij veel optrok met Irene en Roman Komnenos? Het laat hem niet los, zeker niet na zijn bezoek aan de tentoonstelling in Boymans-van Beuningen, waar hij werken van Cuyp bekijkt. Als hij het werk ‘Gezicht op Nijmegen’ ziet, beseft hij hoe belangrijk die periode, waarin hij broer en zus kende, in zijn leven was. Hij herinnert zich weer hoe oom Ernst hem vertelde over het Valkhof, waar de familie vroeger woonde, als burggraaf. Dat en nog veel meer verhalen vertelde hij als Marnix logeerde in Heelst, waar later Irene en Roman hem gezelschap hielden. Ook vertelde hij het sprookje over de ring van de keizerin, waarmee het boek begint.
Twee mannen redden de keizerin uit de rivier en willen geen van tweeën vertellen wie van hen de echte redder was. Een van de twee kon namelijk niet zwemmen. De keizerin gooide haar ring in het water in de verwachting dat de zwemmer er wel achteraan zou springen. Dan zou ze haar antwoord hebben. Maar dat gebeurde niet.
Marnix herinnert zich hoe Irene en Roman hem meetrokken en hem altijd in situaties brachten waar hij in zijn eentje nooit over gedacht zou hebben dat te doen. Niet hij die met een zwak hart geboren is. En hij wist hoe zij altijd het avontuur zo wisten te draaien dat Marnix er als de grote held uitkwam. Maar hij wist het, en beseft het nog steeds: hij was een minkukel. Hij was de niet-zwemmer, denkt hij.


Waarom is hij broer en zus eigenlijk uit het oog verloren? Het toeval helpt hem, en hij op zijn beurt het toeval: hij ontmoet Irene opnieuw, en zij brengt hem in contact met Roman.  Dan rijst opnieuw de vraag: wie was de zwemmer? Wie was de echte redder? En had het sprookje echt een vervolg?
Mooi geschreven verhaal over hoe gebeurtenissen uit je jeugd de mens maken en breken.
Er zit een stukje geschiedenis in, en natuurlijk moesten de schilderijen even opgezocht worden.
‘Mooie leugen, mààr- een-verhaaltje!’  Casper Visser ’t Hooft zegt het zelf. Het is maar wat de lezer er van maakt. Ik heb in ieder geval bijgeleerd en mooie schilderijen gezien.


ISBN 9789086840144 | Paperback | 94 pagina's | Uitgeverij IJzer | november 2007

© Marjo, 12 april 2013


Lees de reacties op het forum en/of reageer:

 

Feniksbloem Feniksbloem


Caspar Visser ’t Hooft



Het is 1913. De Eerste Wereldoorlog, alsmede de Russische Revolutie zijn ophanden, maar Vanja en Elisabeth die op een soort verlate huwelijksreis zijn in Italië, weten nog niet hoe dat hun leven zal bepalen.
Als Vanja (=Ivan Konstantinovitch Rozanov) op het eiland San Antonio rondstruint vindt hij een heel klein plantje, dat veel lijkt op een orchidee. ‘Drie witte kelkblaadjes, drie witte kroonblaadjes, een wit lipje: een pahleanopsis, maar dan in het klein’. Hij neemt het mee in zijn botaniseertrommel, omdat dat zijn taak is: planten verzamelen voor de botanische tuin die zijn vader aan het aanleggen is in het park dat bij de Rozanov-villa hoort. Het park moet het grootste ter wereld worden, en zijn kleinzoon reist daarvoor de wereld af.
Elisabeth is Nederlands, een freule uit Bloemendaal, en zij zal haar verhaal vertellen tussen het actuele verhaal door.
Haar verhaal beleeft een vervolg in het heden, waar Ernst, net terug uit Brazilië, is gaan werken bij het Plantarium. Daar leert hij Vanja kennen, een achterkleinzoon van de eerder genoemde Rozanov, op zoek naar informatie over de botanische tuin van zijn voorvader. Ernst is geïntrigeerd en belooft hem te helpen met een speurtocht in het archief. Vanja blijkt een zus te hebben, die betrokken is bij een kind dat lijdt aan een huidziekte. En zo hangt alles met alles samen, want Ernst stuit in het archief op een aanwijzing dat de feniksbloem, het kleine witte bloempje uit Venetië,   misschien wel geneeskracht zou kunnen bezitten.
Vanuit het perspectief van Elisabeth in het verleden, en Ernst en Olga in het heden lezen we over de geschiedenis van de plantkunde; over de gevolgen van de Russische revolutie en nog veel meer. Een verhaal waarin het verleden het heden inhaalt, waaruit blijkt dat we vandaag de dag oogsten wat lang geleden gezaaid is. Niets is voor niets.
Nog een thema: de calvinistische levenshouding van ons Nederlanders.
De grootvader van Ernst, grootvader de Vreeze, predikte de stelling ‘wie niet werkt is een dief’. Een devies dat hij op Ernst had willen overbrengen. Het bezorgt zijn kleinzoon inderdaad schuldgevoelens:


‘Nu, achteraf denk ik wel eens: maar wat heb ik in die tien jaar eigenlijk gedaan? Het antwoord hierop is natuurlijk dat ik gewoon geleefd heb. Gedurende de tien jaar dat ik daar woonde, kwam de vraag – die de vraag is naar de zin van het leven – geen moment bij me op. Hier wel, vooral de laatste tijd.
En ik denk dat dat komt omdat we hier teveel van onszelf vragen. Alsof we ons voortdurend voor ons bestaan hebben te verantwoorden. Door maar druk in de weer te zijn, te regelen, dingen te veranderen, beleid te voeren, kortom te werken en nog eens te werken. Daar niet, want wat zul je druk in de weer zijn wanneer je omringd wordt door een natuur waarvan je weet dat hij een rustig moment afwacht om alles wat de mensen van  hem hebben afgepakt weer terug te veroveren en langzaam maar zeker te verteren? Is dat fatalisme? Een fatalisme dat tot een gemakzuchtig ‘laisser aller’ leidt? Wanneer wij, calvinistische Nederlanders in andere streken komen, vinden we al gauw dat de dingen er rommelig zijn, dat orde en structuur er ontbreken, dat de mensen er ondegelijk zijn, weinig serieus, lui.’


Caspar Visser ’t Hooft woont en werkt in Frankrijk…

Dit is de tweede roman van zijn hand die ik lees, maar hij lijkt nog niet echt bekend bij Nederlandse lezers. Misschien dat er daarom gekozen is voor zo’n opvallende omslag?
Het zou daar niet van af moeten hangen: zijn boeken zijn goed geschreven, met een afwisseling van gedragen proza en vlotte dialogen.  Ze bieden ook meer dan een gewoon verhaaltje. Het blijft haken in je hoofd, en maakt je nieuwsgierig naar nog meer feiten over de achtergrond.


ISBN 9789086840809 | Paperback | 224 pagina's | Uitgeverij IJzer | mei 2012

© Marjo, 18 november 2012


Lees de reacties op het forum en/of reageer:

 

Koningskinderen Koningskinderen


Caspar Visser 't Hooft

‘Een sprookje is als stil water. Je moet je heel stil houden wil je kunnen zien wat er aan de andere kant van het wateroppervlak leeft en beweegt. (..) Wanneer je probeert ze te begrijpen, wanneer ze je’ analyseert’, wanneer je over de ‘functies’ ervan speculeert, dan is het alsof de elfen en zeemeerminnen, de heksen en de kabouters, de prinsen en de prinsessen, de koningen, de feeën, ridders zich schielijk in hun onderaardse grotten, hun hutten in het hartje van diepe, donkere wouden, hun burchten voorbij onbegaanbare gebergten terugtrekken en verbergen.’


De levens van Dona en Alexander zijn sterk gelieerd met dat van Hanno, de dromer. Hanno is de geheimzinnige man, die ze niet schijnen te kunnen bereiken, al is hij hun geliefde, hun vriend, hij blijft raadselachtig, een dromer met grootse plannen.
Dona is de dochter van graaf Ernst-Casimir Blankenburg, die in Karlfurt zetelt. Zij heeft letterkunde gestudeerd, maar heeft nu een carrière als filmster op het oog. Zij heeft na een nogal stormachtige ontmoeting met de man  een relatie gehad met Hanno, maar vond haar eigen toekomst toch belangrijker. Hanno is er stuk van, maar Dona weet niet zo goed wat ze wil. In ieder geval wil ze niet de brave huisvrouw worden, zoals haar vader graag zou zien.

Alexander Reael is een Nederlander die in Karlsfurt woont en werkt, op een bank. Hij ontmoet Hanno op een koor, en wordt betrokken bij diens project. Hanno is bezig een clip op te nemen met de rapzanger Jaled. Daarbij staat hem voor ogen dat twee rivaliserende groepen jongeren van allochtone afkomst samenwerken, zo elkaar leren kennen en waarderen.
Hanno droomt  van vrede. Van een samensmelten van  joden, christenen en moslims. Hij heeft afstammelingen gevonden die de drie groepen vertegenwoordigden: een nazaat van de hogepriesters van Israel;  een afstammeling van het geslacht Saladin, de dynastie van de Ayyoubiden en degene die de officiële titel van koning van Jerusalem mocht dragen (maar niet deed) omdat zijn voorvader koning was van het kruisvaarderkoninkrijk Jerusalem, i.e. de christelijke kant.

‘In een manifest wilden we de drie gemeenschappen die vanouds op de Heilige stad (=Jerusalem) aanspraak maken tot vrede oproepen. Een symbolische actie. We zouden ons opgeroepen hebben als de stem van de geschiedenis.’


De drie worden meegezogen in een maalstroom van gebeurtenissen, waarbij dromen sprookjes blijken, en een mooi streven eindigt in een drama.

Het verhaal wordt verteld vanuit Dona - waarbij de schrijver een meer psychologische verteltrant hanteert -  en Alexander, die vooral filosofische gesprekken voert met vriend Hanno. Met flinke tijdsprongen vormen een proloog, drie delen - twee van de dame, een voor de heer - en een brief van Hanno als slotstuk, een boeiende roman in een veelal beschouwende stijl, afgewisseld met  aansprekende dialogen.
De achterliggende filosofie over een samensmelten van drie godsdiensten, met een koning, de koning van Jerusalem, wordt uitgewerkt op een kleiner niveau: het opnemen van de clip, hetgeen in een drama eindigt.

De stemmige omslag is de afbeelding van een vrouw (Dona?). die knielt voor een ridder (Hanno?).   Voeg daarbij de titel, en je verwacht een ander verhaal dat hetgeen je krijgt. Het is geen historische roman, al liggen er wortels in het verleden. Het is, zoals de flap zegt, een eigentijds sprookje.
Het sprookje van Jorinde en Joringel waarvan sprake is in het boek, is bij ons niet zo bekend, de ‘Almanach de Gotha’ kende ik ook niet, maar dat stoort niet. Weer wat bijgeleerd.
Wat de Nederlandse lezer wel kan storen, is de taal van Caspar Visser ’t Hooft, iemand die duidelijk gewend is Frans te spreken en te schrijven. Er zijn nogal wat gallicismen, of Gallische zinswendingen. ‘Introït’; ‘blondbollig’; ‘we hebben het nooit over onze personen’. Jammer genoeg leidt dat weleens tot echte fouten. Maar soms is het ook gewoon leuk:  zoals een woord als ‘biggenbloot’.  Kleinigheden.
Het geheel is een boeiende roman, met filosofische en psychologische benadering van een belangwekkende vraagstuk.


ISBN 9086840604 | Paperback | 221 pagina's | Uitgeverij IJzer | december 2010

© Marjo, 29 januari 2011